Geef je plant een goede start

Planten of verplanten? Gelijk goed aanpakken loont!

Of je nu een nieuwe plant in de tuin zet, een plant vervangt of verplaatst, in alle gevallen geldt dat als je het plantgat goed voorbereidt en de grond verbetert, de kans op succes vele malen groter is.

Net als mensen hebben planten sneller last van te weinig lucht en te weinig water dan van te weinig voedsel. Planten in zware kleigrond of in een tuin met ondoorlatende lagen hebben last van het eerste. Bij een slechte afwatering ontstaat een tekort aan zuurstof en dat belemmert de wortelgroei en het bodemleven. Op lichte zandgrond met een laag humusgehalte doet zich het tweede probleem voor: er wordt te weinig water (en ook voedingsstoffen) vastgehouden en dat gaat vooral in droge perioden ten koste van de groei.

Wormen trekken dode plantenresten de grond in en maken soms meterdiepe gangen waarmee ze de grond open houden. Bacteriën en schimmels zetten dood organisch materiaal om in humus en plakken gronddeeltjes aan elkaar tot ‘kruimels’ (aggregaten). Zo zorgt het bodemleven voor een stabiele, kruimelige bodem die water en voedingsstoffen vast kan houden en waar lucht inkomt.

Door bij het planten te zorgen voor een goede afwatering en voldoende organische stof (bijvoorbeeld bladaarde of compost) bevorder je een goede lucht-, water- en mineralenhuishouding in de bodem. Hierdoor kan de plant een beter wortelstelsel ontwikkelen en dat is onmisbaar voor een goede start.

En zo ga je te werk:

    • Zet planten met kale wortels en uitgedroogde wortelkluiten eerst en paar uur in een emmer water, zodat de wortels voldoende vocht bevatten.
    • Verwijder bij kluitgoed de jutezak. Kort beschadigde of te lange wortels in met een scherpe en ontsmette (spiritus) snoeischaar.
    • Graaf een ruim plantgat, ten minste twee keer zo diep en twee keer zo breed als de wortelkluit. Bij arme en slechte grond kan je het plantgat beter nog groter maken.
    • Maak de bodem onder in het plantgat diep los om bloempoteffect te voorkomen. Bij een slechte afwatering kun je in de bodem van het plantgat ontwateringsgaten maken door met een grondboor twee of drie diepe gaten te boren en die te vullen met drooge brekerzand. Dit ruwe zand laat goed water door.
    •  Verwijder oude wortels en resten van planten. Als deze in de grond blijven zitten en verteren, verbruiken ze namelijk zuurstof. Om dezelfde reden mag ook alleen maar zeer goed uitgerijpte compost (ruikt naar bosgrond) in het plantgat worden verwerkt.
    • Vul het plantgat met de oorspronkelijke grond waaraan bodemverbeteraars en mycorrhiza-schimmels zijn toegevoegd. Gebruik geen (gekochte) tuinaarde die niets gemeen heeft met de grond rondom het plantgat.
    • Humusrijke toevoegingen zoals bladaarde en goed uitgerijpte compost zijn het belangrijkst. Ze bevorderen het bodemleven en de bodemstructuur. Ze zijn waardevol voor alle soorten grond, maar gebruik ze vooral rijkelijk (een derde deel) bij klei- en zandgrond.
    • Verder kun je zware grond doorlatender maken door er zand, grind of lavagranulaat door te mengen. Zandgrond houdt water beter vast als je er leem of kleikorreltjes (bentoniet) aan toevoegt.
    • Een bijzondere bodemverbeteraar, die prima door compost of plantaarde kan worden gemengd, is EIFELGOLD. Dit fijngemalen vulkanisch gesteente (lavameel) is rijk aan silicium, calcium, magnesium en sporenelementen die geleidelijk en over een lange periode vrij komen. Samen met het bodemleven en organisch materiaal verbetert lavameel de water- en mineralenhuishouding van lichte zand- en veengrond maar ook de structuur van zware kleigrond. Door het verbreken van de onderlinge verbinding tussen de fijne kleideeltjes wordt de grond ruller.
    • Doe eerst ongeveer een derde deel van de verbeterde plantaarde onder in het plantgat, zet de plant erop en maak het plantgat dicht. Druk de grond goed aan.
    • Geef rijkelijk water, zodat er geen holle ruimtes ontstaan en de aarde goed contact maakt met de wortels. Geef bij droogte ook in de weken na het planten regelmatig water.
    • Doe nooit mest in het plantgat, maar breng het boven op de grond aan, zodat de mest geleidelijk naar de wortels kan zakken. Zo investeert de plant eerst in de wortelgroei en wordt de vorming van mycorrhiza niet belemmert door een teveel aan fosfaat. Overigens is het geven van mest na het planten alleen nodig als de grond heel schraal en uitgeteerd is. Strooi in dat geval wat hoornspaanders of moutkiemen. Op normale tuingrond hoeft het niet. De verbeterde plantaarde in het plantgat is al voedselrijk genoeg.
    • Op zure grond kun je een schep kalk strooien. De meeste planten gedijen in lichtzure grond met een pH-waarde tussen 6 en 7.  Omdat compost, klei en lavameel ook een licht pH-verhogende werking hebben, is een extra kalkgift meestal niet nodig.
    • Een laagje mulch van afgevallen blad of grassnoeisel rondom de plant is altijd goed. Het houdt de bodem vochtig, onderdrukt het onkruid en voorkomt dichtslaan van de grond na regen. Dit verse, organische materiaal voedt ook het bodemleven en wordt verteerd en omgevormd in waardevolle voedingsstoffen en humus. Zo’n mulchlaag moet niet dikker zijn dan een paar centimeter, anders kan een tekort aan zuurstof ontstaan. Gebruik je houtsnippers als mulch, voeg dan liefst ook wat hoornspaanders, moutkiemen of andere langzaam werkende organische meststof toe om stikstoftekort te voorkomen.

Bij het vervangen van oude of afgestorven planten moet je nog zorgvuldiger te werk gaan om de nieuwe aanplant te laten slagen. De grond op zo’n plek kan behoorlijk uitgeput zijn en door een eenzijdige ontwikkeling van het bodemleven kunnen bepaalde ziekteverwekkers, zoals het rozenaaltje, maar ook schadelijke schimmels en bacteriën in een verhoogde concentratie aanwezig zijn. Dit heet bodemmoeheid. Maak in deze situatie het plantgat twee keer zo groot als je anders zou doen. Verwijder oude wortels heel zorgvuldig. Het is niet nodig om de grond helemaal te vervangen, maar verbeter rijkelijk met verse grond (bijvoorbeeld uit een ander deel van de tuin), bladaarde, goed verteerde compost en lavameel. Laat de verbeterde grond een of twee maanden (langer mag ook) rusten in het plantgat. Pas daarna ga je planten. Voeg bij het planten mycorrhiza-schimmels toe.